Haagse kak

Weliswaar woon ik al ruim veertig jaar in Zoetermeer, toch gaat er vrijwel geen week voorbij of ik ben in mijn geboortestad Den Haag. Bijvoorbeeld voor een rondje kunstkijken in de Pulchri Studio aan het Lange Voorhout en de talloze galeries aan het Noordeinde en de Denneweg. Halverwege mijn tour sta ik voor een galerie vol druk pratende en wijndrinkende mannen en vrouwen. 

Nieuwsgierig om welke expositie het gaat, meng ik mij onder de liefhebbers van kunst en zo. Terstond komt een gedistingeerde zeventiger op me af en omhelst me als zijn verloren zoon. “Dag Wim. Dag kerel. Ken je mij echt niet meer?" leidt hij af van de verbazing op mijn gezicht. "Kerel, hoelang is het nou helemaal geleden dat we op de tennisbaan van Houtrust met elkaar stonden te ballen. Hooguit 30 jaar," buldert hij van de lach. "Kijk eens goed uit je doppen, mafkees. Geen dag ouder ben ik geworden." Ineens zie ik het. Philip Roest van Alkemade van ‘zeg maar gewoon Flip’.

 Direct komen beelden op van dat voorname tennispark. Waar mannen en vrouwen in donkere blazers en mantelpakken op hun parkwandelingetjes als ware Oranjetelgen hun vele vriendjes en vriendinnetjes vorstelijk toeknikken. Bij hun kopjes thee met een plakje cake praten ze honderduit over hun universitair geschoolde nazaten. Hun kroost, waar ze zo mee hebben geboft. Haagser bestaat niet.

 Mijn gedachten blijven hangen bij dat ene toernooi met mijn helaas inmiddels overleden tennispartner Menno Overeijnder. Ik had hem overgehaald een keer Houtrust met mij te doen. "Menno, een hartstikke geinig toernooi waar de ’Haagse kak’ van afdruipt en, waar de prijzen niet kinderachtig zijn."

 Uitermate irritant, dat we op de finaledag pas vier uur later dan gepland de baan op kunnen. Na de zege is in een klap mijn chagrijn van het lange wachten verdwenen. Tegen middernacht wordt het sein gegeven voor de prijsuit­reiking. Het woord is aan een oud-minister met Haagse wortels. De bla bla bestuurder schudt zonder spiekbriefje een indrukwekkend aantal namen van sponsors uit de mouw van zijn zwarte Burberry-blazer met vergulde knopen. “Zonder hun sub­stantiële bijdra­gen zouden deze enve­loppen nooit zo rijke­lijk gevuld zijn.” Minzaam glimla­chend wijst hij daarbij op de prijzentafel achter hem, die bezaaid ligt met groene envelop­pen. Als we onze namen horen omroepen, dringen we gulzig door de menigte om de twee veelbelovende enve­loppen in ontvangst te nemen. Na opening zien we dat die groene krengen hartstikke leeg zijn. Empty. “Bedoelde je dit met het niet kinderachtige prijzengeld?” spot Menno. Ja, zo was hij.

Wim Quist

Column overzicht