Lang leve ADO

Sorry hoor tennissers van TV Buytenwegh, ik ben nog volledig in de ban van voetbal. Aan de ene kant de sidderende finale van het EK met Portugal als verrassende kampioen. Aan de andere kant staat de ere-divisie te dringen. Zoals gebruikelijk borrelt dan mijn tijd bij ADO op.

Ik heb namelijk bij die club in het Haagse Zuiderpark ooit een poos gewerkt als administrateur. Zo werd mijn job althans in 1965 door voorzitter Herman Choufoer gepresenteerd. In de praktijk had de "moordbaan" voor een ambitieuze 21-jarige echter meer weg van een manusje-van-alles dan van een mogelijk toekomstig manager. Wel, dat moet ik eerlijkheidshalve toegeven, mocht ik aanschuiven bij vergaderingen om mee te praten over betaald voetbalzaken. Maar evengoed lag de klus van de kaartverkoop op mijn bordje. Verkoop van entreebewijzen via de voorverkopers (sigarenwinkeliers) in de regio Den Haag. Op de speeldag zelf zorgde ik, dat de kassiers in de zogeheten kassahuisjes bij de ingangen van het stadion van de restantkaarten werden voorzien. 

Zo zal ik nooit die bijzondere zaterdagavond in 1965 vergeten van de eerste finalewedstrijd van de Intertoto Competitie tegen Slovan Bratislava uit Tsjecho-Slowakije. Het stadion is met bijna 28.000 toeschouwers volledig uitverkocht. Ik ben druk bezig met het "afrekenen" van de kassiers als plotseling een oorverdovend gejuich opklinkt. ADO heeft gescoord en leidt met 1-0. Uitzinnige vreugde bij iedereen. Mijn kantoortje barst bijna uit zijn voegen. Veel tijd heb ik niet om in de vreugde te delen, omdat ik de recette aan het tellen ben. Zo’n 100.000 gulden heeft de wedstrijd in het laatje gebracht. Aan bankpapier en aan duizenden munten. Centen, stuivers, dubbeltjes, kwartjes, guldens en rijksdaalders. Een bijna niet te tillen weekendtas met geld.

Meneer Kok, de penningmeester van ADO en tevens sigarenwinkelier annex voorverkoper, had bepaald dat het geld ‘s nachts absoluut niet in mijn kantoortje kan blijven. De houten barak was te inbraakgevoelig had hij mij ingefluisterd. Vreemd eigenlijk, dat hij altijd fluisterde. Het leek wel of er van die fluisterstem iets dwingends uit ging. Misschien ook omdat ik zo’n zalvende stem niet verwachtte bij de boom van een kerel. Zeker 1.90 m, schat ik. De donkere bril bezorgde de dikke vijftiger een streng uiterlijk. Iedere keer als ik tegenover die reus stond, voelde ik me als een jongste bediende.

'Quist, je moet het geld maar gewoon mee naar huis nemen,’ fluistert hij op een toon alsof het de gewoonste zaak van de wereld is om een ton cash mee naar huis te nemen. Dus rijd ik met de loodzware tas voor mij op de tank van mijn stoere Puch met hoog stuur en een potje als uitlaat rond middernacht naar huis. Weliswaar amper vijf minuten brommen, maar toch voel ik me in het donker niet op mijn gemak met die zwalkende tas tussen mijn benen. Het laat zich eenvoudig raden dat mijn ouders niet blij waren met de twee overnachtingen van de geldtas in de linnenkast achter een stapel handdoeken.

Maandagochtend bundel ik samen met mijn assistent Piet Bovelander, een kranige vrijwilliger van 80-plus, de bankbiljetten en maken we rolletjes van de munten. Want alleen zo is de bank bereid het geld te incasseren. Bijna twee uur zijn we bezig met de rolletjes centen, dubbeltjes, stuivers, kwartjes, guldens en rijksdaalders. Als dat karwei achter de rug is, maakt de krasse knar zich op voor vertrek naar de bank. Want, dat is zijn werk. Daar is Piet apetrots op, merk ik. Op zijn fiets naar de Jan Hendrikstraat. Naar het hoofdkantoor van de Nutsspaarbank waar clubmanager Eddy Hartman, parttime werkt. Een kwartier fietsen. Op mijn vraag aan de ouwe baas of hij zich wel safe voelt met al dat geld onder zijn snelbinders, antwoordt hij, dat hij iedere keer een andere route fietst. ‘Ik ben Malle Pietje niet. Ik doe dit al jaren zonder ongelukken. Maak je geen zorgen.’

Omdat ik dat wel deed, bel ik de penningmeester. 'Meneer Kok, da’s toch veel te gevaarlijk wat die ouwe Bovelander doet. Die honderdduizend aan contanten wegbrengen op zijn fietsje. Vindt u ook niet, dat we de volgende keer voor de veiligheid een taxi moeten inschakelen?’ ‘Maar Quist, weet je wel wat zo’n taxirit naar de stad kost.’ ‘Meneer Kok, ik vind toch dat ….’ ‘Je hebt me toch gehoord, Quist.’ Lang leve ADO, denk ik.

Column overzicht