Het einde van een Winnaarstype ..

Met de woorden ‘Het is mooi geweest’ hangt Wim Quist in zijn column het competitieracket definitief aan de wilgen. Een paar dagen eerder - tijdens de training - heeft hij zijn besluit om ‘te stoppen op zijn hoogtepunt’ ook al meegedeeld aan het team ‘De Frisse Jongens”. Toen hij zich vorige week aan de mannen van OTC voorstelde als Wim Wisselspeler, wist ik het eigenlijk al. Zijn officiële mededeling dat hij zijn laatste wedstrijd in competitieverband heeft gespeeld, komt dus niet als een verrassing.

Wie Wim een beetje kent, weet hoe moeilijk die keuze hem moet zijn gevallen. Wim is een Winnaarstype en kan er niet mee leven dat hij dat niet meer kan zijn. Met het stijgen der jaren en de toename van zijn oogproblemen kreeg hij steeds meer moeite om het spel te laten zien waarmee hij vroeger zoveel triomfen vierde (de ‘wereldberoemde’ slice dropshot). Met de moed der wanhoop bleef hij proberen zijn potten te winnen, maar dat lukte steeds minder goed. Ik kan niet anders dan respect hebben voor zijn stap. Jammer, maar zo gaan die dingen. Ik dank hem namens ons team voor al die mooie jaren samen! Hij wordt in ons team per direct ingezet als assistent non playing captain.
Een speler van het niveau van Wim verdient het niet om via de achterdeur te vertrekken. Daarom wil ik met het volgende verhaaltje wat herinneringen ophalen aan al die jaren die we op de tennisbaan deelden.
Van winnaar tot Winnaarstype
Het zal zo’n 22 of 23 jaar geleden zijn. Na een paar jaar meedoen aan de gezellige, maar wat vrijblijvende zomerrecreatiecompetitie (dubbels) wilde ik mijn krachten weleens meten in singlepartijen om ‘het echie’. Dus meldde ik mij aan voor de wintercompetitie voor singlespelers, waaraan vele gevestigde namen meededen. 
In mijn eerste partij trof ik Albert Kaandorp; D1, net als ik, maar je moet ook niet meteen tegen de sterkste beginnen. Maar met zijn solide, ontregelende en bekeken spel (inclusief dodelijke lobs) speelde hij mij helemaal zoek. In mijn jeugdige overmoed weet ik mijn nederlaag aan het spelletje van Albert, dat ik toen volstrekt ten onrechte nog durfde te betitelen als: geen tennis. 
Daarna trof ik ene Wim Quist, die maar liefst C1 was, een ‘echte’ tennisser dus. Ik hoopte lekker strakke ballen te krijgen en daarmee beter uit de voeten te kunnen. Op het afgesproken tijdstip schudde een rijzige slanke en wat formeel overkomende man met zwart haar en een martiale snor mij in het clubhuis de hand. Met duidelijk Haagse tongval en dito zelfvertrouwen. Een routinier. Naar eigen zeggen had hij sinds het begin van de vereniging veel grote partijen op clubniveau gespeeld en gewonnen. Hij had zelfs eens de halve finale van het clubkampioenschap gehaald! Al jarenlang maakt hij deel uit van een hoog spelend team in de KNLTB-competitie. Een geboren winnaar dus!
We liepen samen naar die baan en legden onze spullen op de aanwezige bank. Dat wil zeggen: ik legde mijn rackethoes neer en stapte de baan op. Wim ging op zijn gemak op de bank zitten. Hij haalde zijn racket en allerlei spullen uit zijn grote tennistas. Op zijn gemak begon hij daarna een grote rode boerenzakdoek te vouwen en te rollen om daarna als een bandana om zijn hoofd te binden. Wat stijfjes begaf hij zich daarna naar zijn kant van de baan. Na wat ballen heen en weer te hebben geslagen, vroeg hij: zullen we een paar ballen serveren? Wat houterig, maar wel steeds met precies dezelfde bewegingen gooide Wim de ballen omhoog, waarna hij met een luid ‘hoppa’ zijn service sloeg. 
Van de partij weet ik niet veel meer. Stoïcijns en met steeds een wat zuigend overkomende ondertoon annonceerde Wim na elk punt de stand: nul – vijftien, nul – dertig etc. Ik geloof dat ik Wim eerst best aardig partij gaf en wellicht zelfs nog wel even op voorsprong heb gestaan. Jammer genoeg werden we afgehangen. Bij de koffie wekte Wim in het geheel niet de indruk verontrust te zijn door mijn goede spel. Na de hervatting was ik mijn spelritme kwijt en bewees Wim dat hij toch echt de betere tennisser was. Met vele goed geplaatste slice dropshots pareerde hij mijn opslagen die ik uit frustratie steeds harder ging slaan. Daardoor waren ze voor hem steeds eenvoudiger te blokkeren. Die slice dropshots bleven zijn hele tennisloopbaan tot zijn repertoire behoren, soms tot wanhoop van zijn teamgenoten als ze niet wilden lukken. 
Tot mijn genoegen mocht ik kort daarna toetreden tot een competitieteam waarvan ook de grote Wim, uiteraard als eerste speler, deel uitmaakte. Bij elke wedstrijd ontpopte Wim zich met leuke en spannende herinneringen aan eerdere potten tegen de tegenstanders van de dag als een geboren verhalenverteller. Wim had op alle parken al eens gespeeld en overwinningen behaald. Vaak wist hij zich zelfs het beslissende punt uit cruciale potten nog te herinneren. Jarenlang stond zijn status als eerste speler niet ter discussie, omdat hij stond voor WINST in zijn partijen. 
Heel veel jaren hebben we zo op tal van tennisparken samen mooie zomerse dagen beleefd met ons geliefde spelletje. Je leert elkaar daarbij steeds beter kennen en gaat ook allerlei andere dingen met elkaar ondernemen, kortom: je wordt (tennis)vrienden van elkaar! Op een gegeven moment bleek Wim (behalve vroeger een talentvol voetbalspeler, administrateur bij ADO, soldaat in Suriname, feestbeest, biljarter, liefhebber van de Matthäus Passion, bridger, fotograaf en iets hoogs op de Erasmus Universiteit) ook nog eens een getalenteerd schrijver te zijn. Wim schreef korte, humoristische verhalen over de wederwaardigheden die hij in zijn lange tennisloopbaan had meegemaakt. Ook de leden van ons team konden zichzelf daarin soms onder fantasienamen goed herkennen. Wim toonde zich een perfectionist die zijn verhalen in zijn eeuwige hang naar perfectie vele malen herschreef. 
Vorig jaar zag zijn boek onder de alleszeggende naam Winnaarstype eindelijk het levenslicht. Op de openingsdag van het tennisseizoen signeerde Wim als een beroemd schrijver – gezeten achter een tafel met zijn werk – voor de vele belangstellenden zijn literaire eersteling.
Jan Janssen

Column overzicht