Column Eric Savalle: Arbitrage in de knel

Tot zo’n 30 jaar geleden, zat de scheidsrechter rechtop in zijn stoel, met zijn scoreblad op een lessenaartje voor zich. De lijnrechters zaten op een stoel of stonden rechtop. Als een bal “uit” was, riep de betreffende lijnrechter hardop “uit” en stak tegelijk zijn arm uit in de richting waarin de bal uitging. 

 

Eind 80-er jaren ging de ATP – de spelersvakbond – zich met de arbitrage bemoeien. Allereerst werd voorgeschreven, dat het “uit”signaal pas mocht worden gegeven nadat een paar seconden waren verlopen nadat het handsignaal was gegeven. Dus eerst het handsignaal en een paar seconden daarna de ”uit”roep. De betekenis hiervan is mij nog steeds niet duidelijk, maar echt belangrijk was dit niet.

Een werkelijk belangrijke wijziging was, dat de lijnrechters op de lange lijnen, dus achter de baan (drie aan elke kant) moeten staan en zodra en zolang de bal in het spel is voorover moeten bukken met hun handen op de knieën. Dit alles om de lijnrechters zo actief en vooral zo uniform mogelijk over te laten komen. Dat je in deze houding al na een paar minuten pijn in je rug en in je nek krijgt -probeer het thuis maar eens uit (!)- is voor de “heren” van de ATP kennelijk niet relevant. Zelfs de lijnrechter achter de middenservicelijn van waar (naar de overkant) geserveerd wordt – dus een “loze lijn”, die een game lang niet gebruikt wordt - moet als een dwaas verkrampt voorover gebukt blijven staan. En dat, terwijl iedere leek, laat staan een bewegingsdeskundige, kan bedenken dat dit slecht voor je gestel is en dat je gewoon rechtop staand een even goed, ja zelfs een beter zicht hebt op in en uit ballen: je staat dan immers hoger èn ontspannen. Ook de scheidsrechter mag niet rechtop in zijn stoel zitten. Hij moet zijn actieve betrokkenheid tonen door zo ongelukkig mogelijk, ver voorover te hangen en vooral geen gebruik te maken van zijn lessenaartje, want dat is te comfortabel en zou desinteresse kunnen suggereren. Dat het bij de arbitrage primair gaat om zo goed mogelijk de bal te kunnen zien in een voor iedere lijnrechter wellicht andere houding, is kennelijk van secundair belang; als het er maar uniform uitziet, vindt de ATP.

Het tennis zelf is intussen deze domme opvatting al lang ontgroeid. We hoeven niet allemaal op dezelfde manier een forehand of backhand te slaan. Daar gaat het om het resultaat: hoe kan elk individu zich op zijn eigen wijze het beste ontplooien! Het opmerkelijkste is echter dat, hoewel alle lijnrechters dit voorover gebukt staan vervloeken, niemand hiertegen openlijk durft te protesteren, want de ATP heeft in het verleden meermalen laten blijken dat men niet erg gesteld is op kritiek. Iedereen slikt dus gedwee wat de ATP voorschrijft, want niet opvolgen van de richtlijnen betekent dat je als scheidsrechter of als lijnrechter hebt afgedaan.

Hoe machtig de ATP is, blijkt overigens ook uit het feit dat zij internationale scheidsrechters benoemt en verantwoordelijk is voor de inzet van die scheidsrechters bij ATP- en Grand Slamtoernooien.

Een verwerpelijke situatie, want als topspelers een bepaalde scheidsrechter te lastig vinden, kan deze bijvoorbeeld bij hun wedstrijden worden geweerd. Met name in het verleden is van Lendl, Connors en Mc Enroe bekend dat zij grote invloed hadden op de aanwijzing van scheidsrechters voor hun partijen.

Bij mijn weten is er geen enkele andere sport waar de arbitrage onder controle is van de spelersorganisatie.

Eric 

 

Column overzicht