Stokoud (2011)
April 1981. Hoera, eindelijk was het dan zover. Twee en half jaar na de oprichting doet de tennisclub mee aan de competitie van de tennisbond. Tennissen om het echie dus.
Omdat ik vorig jaar bij de eerste clubkampioenschappen een paar partijtjes had gewonnen, was ik geselecteerd voor het eerste herenteam zaterdag. Wat was ik dolgelukkig dat ik tot de groep uitverkorenen behoorde. Door scherp te trainen en veel te spelen was ik helemaal klaar voor mijn competitiedebuut. Ik voelde me berensterk, maar tegelijkertijd was ik ook een beetje gespannen. Ik ben namelijk gewend om op hardcourt te tennissen en nu moest ik voor het eerst van mijn leven een wedstrijd op gravel spelen. En daar had ik onrustbarende verhalen over gehoord. Van onverhoeds wegspringende ballen tot akelige glijpartijen. Maar bij de laatste theorieles voor de competitie had de ervaren tennisleraar Hans gelukkig die onrust uit mijn hoofd kunnen praten.
Bij de samenstelling van het team was door de Technische Commissie besloten twee jonkies John en Jos van begin twintig, aan Cees en mij van midden dertig te koppelen. Naar verluidt, voor het evenwicht binnen het team. Eerlijk gezegd, heb ik me om die logica wel achter mijn oren gekrabd, maar so what? Ik mocht blij zijn dat ik geselecteerd was. Voor die eerste wedstrijd moesten we naar Den Haag; naar het tennispark van Berg en Dal. Nooit zal ik die bizarre partij vergeten. Die staat in mijn geheugen gegrift. Dertig jaar geleden dus.
Op het voorname tennispark aan de Daal en Bergselaan vlak tegen de duinen worden we begroet door drie tieners en een stokoude man. De bejaarde van midden zeventig schat ik, is gekleed in een driedelig antracietgrijs kostuum dat hem als gegoten zit. In de borstzak van zijn colbert is nonchalant een wijnrode pochet gepropt. Op zijn spierwitte overhemd draagt hij een prachtig passende zijden stropdas. Hij ziet eruit om door een ringetje te halen, zou mijn moeder zeggen. Zeker de opa van een van die jochies op weg naar een trouwerij, denk ik logisch. Tot mijn verbazing blijkt het oudje in trouwkostuum de captain van het team te zijn. De playing captain, welteverstaan. Anders dan bij mijn tennisvereniging heeft de TC van Berg en Dal kennelijk geen boodschap aan eventuele balansproblemen binnen het team.
Even later wijst de schriftelijke spelersuitwisseling uit, dat ik tegen die AOW’er moet spelen. Dat heb ik weer. Niet Cees, John of Jos, maar uitgerekend ik moet het tegen die opgedirkte opa opnemen. Mijn eerste competitiewedstrijd spelen tegen een dikke zeventiger. Daar kan ik mee thuis komen, loop ik vooruit op de plagerige opmerkingen die mij gehijt thuis te wachten staan. Omdat ik bij de kennismaking zijn naam niet heb meegekregen, vraag ik de ouwe op weg naar de baan hoe hij ook al weer heette. De weinig spraakzame, boomlange vent mompelt iets van ´Hij´. “Sorry meneer, ik heb u niet goed verstaan. Zei u ´Hij´?” “Hein”, zegt hij afgemeten.
Die naam kan ik wel onthouden. Mijn ezelsbruggetje hiervoor is mijn buurjongen die ook Hein heette. Eigenlijk heette-ie Heino, maar hij werd Hein genoemd. Ik herinner me nog goed dat mijn moeder jaren geleden achter gesloten deuren fluisterde, zodat niemand het kon horen, dat Heino een Duitse naam is. Onze buurvrouw van drie hoog was namelijk van Oostenrijkse komaf. Begin jaren vijftig was het in de buurt van het Haagse Zuiderpark niet koosjer om Heino te heten. Als pikant detail verklapte mijn moeder, dat Heintje bij zijn geboorte maar liefst dertien pond woog en dat tante Heidi bij de bevalling bijna het leven heeft gelaten.
Dertien pond zal mijn tegenstander beslist niet bij zijn geboorte gewogen hebben, grinnik ik om mijn jeugdherinnering. Want Hein mag dan wel een kleine twee meter lang zijn, maar hij is brood- en broodmager. Geen grammetje vet aan hem te ontdekken. Ik moet het opnemen tegen een oude, slungelachtige man met staalblauwe ogen in zijn ingevallen, craquelé gezicht. Op zijn bovenlip prijkt een splinterdun, gedistingeerd, wit snorretje en op zijn kale knar plakken een paar witte slierten haar overdwars. Echt dominant aan zijn karakteristieke kop is zijn vlijmscherpe neus. Een echte zinksnijder, zoals zo’n apparaat in Haagse kringen ook wel spottend wordt genoemd.
Zoals door het KNMI is voorspeld, is het rustig, droog voorjaarsweer. Een flauw zonnetje vecht zich af en toe door het wolkendek en er is weinig wind te bekennen. Hooguit zo nu en dan een te verwaarlozen briesje. Ideaal weer voor een stevig potje tennis. De gravelbaan ligt er zo te zien goed bij; op het eerste gezicht geen oneffenheidje te ontdekken. Vreemd genoeg, omdat ik zoiets pas in oktober verwacht, liggen er een paar bladeren op de baan die, zodra het windje eventjes zijn kop opsteekt, gaan liggen bibberen. Op het hoge hekwerk aan de overkant van de baan zit een kraai te wachten tot hij wordt opgeschrikt en de benen neemt. Teleurstellend is, dat er geen belangstelling voor het treffen is. Buiten mijn teamleden en de tegenstanders is er namelijk geen sterveling langs de baan te vinden.
Bij het inspelen zie ik onmiddellijk, dat Hein een houten Dunlop maxply-racket in zijn rechter hand heeft. Zo´n ouderwets ding met zo’n piepklein blad, waar excentriekelingen graag mee meppen. Die lui slaan namelijk niet; die meppen. Na een paar slagenwisselingen merk ik, dat de bal inderdaad, zoals beloofd, rare capriolen op het gravel kan maken. Ook heb ik snel in de smissen, dat je op dat rode gruis heel gemakkelijk op je plaat gaat. Oppassen geblazen dus!
Al na een paar rally’s zie ik, dat mijn tegenstander van voor de eerste wereldoorlog voor geen cent conditie heeft. Eigenlijk ook niet zo verwonderlijk voor een man van zijn leeftijd. Bijvoorbeeld op mijn wapen, de dropshot, doet hij nauwelijks moeite om te reageren. Mij nietszeggend aankijken met zijn blauwe, koele kijkers, is al wat hij doet. Ook niet bepaald hoopvol is, dat hij na elke rally loopt te hijgen als een paard dat zojuist de military heeft gelopen. Echt verontrustend wordt het, als hij na helemaal niet zo’n lange slagenwisseling, volkomen uitgeput naar de zijkant strompelt en hangend over het hek langdurig naar lucht staat te happen. Op mijn oprecht ongeruste vraag of het wel goed met hem gaat, antwoordt hij dat ik me geen zorgen behoef te maken. Die lange lijs kan nou wel ‘don’t worry’ roepen, maar zo gerust ben ik daar niet op. Want hij ziet lijkbleek; alsof hij elk moment kan uitstappen. Het zal je toch gebeuren dat-ie ’t begeeft. Dat wil ik absoluut niet op mijn geweten hebben.
Om mijn geweten te sussen en om het risico van vervroegd uittreden van magere Hein tot een minimum te beperken, neem ik gas terug en ga ik hem balletjes aangeven. Zoals mijn tennisleraar dat bij de training doet. Zichtbaar komt hij door mijn aangevertjes in zijn element en laat hij zien dat hij ooit betere tennistijden heeft gekend en dat hij wel degelijk kan meppen met dat aftandse racketje. Al mijn douceurtjes ten spijt, blijft hij volharden in zijn opzet om zoveel mogelijk tijd te rekken om zuurstof te tanken. Zo duurt het bijvoorbeeld een eeuwigheid eer hij twee ballen van de grond heeft geraapt en klaar staat om te serveren. Eigenlijk te bizar voor woorden, wind ik me op. Bijtijds herinner ik me in mijn struggle om toch vooral rustig te blijven, de wijze woorden van mijn tennisleraar. Hij heeft mij ingeprent om, wat er ook gebeurt, altijd kalm te blijven en mij op de wedstrijd te focussen. Bloeddruk verhogend is ook, dat de tennisrot het bij elke dubieuze call altijd beter weet. “Kijk dan naar de afdruk”, roept de betweter als ik een bal aan mijn kant duidelijk ‘uit’ heb gezien en hij dat betwist. “Ga dan naar die plek, dan zie je het”, commandeert hij. Maar hoe serieus ik het sporenonderzoek ook verricht, door mijn onervarenheid kan ik met de beste wil van de wereld geen print van de bal in de hiërogliefen van het gemalen baksteen ontdekken. Dus rest mij niets anders, dan me neer te leggen bij de call van de oudste.
Bij het wisselen van kant maakt hij er helemaal een potje van en wordt mijn mentale weerbaarheid extreem getest. Zonder blikken of blozen neemt hij namelijk zeker vijf minuten om uitgebreid te gaan picknicken op het bankje naast de baan. Zo neemt hij enkele happen van zijn banaan, neemt hij een paar slokjes van zijn sportdrank en van zijn flesje bronwater. Op zijn dooie akkertje peuzelt hij vervolgens een paar handjes rozijntjes op. Als hij zijn mond heeft leeggegeten, haalt hij een pakje uit zijn tas tevoorschijn en begint hij ontbijtkoek te happen. Nadat hij eindelijk al de restanten van het kleverige spul met zijn tong van zijn gehemelte heeft gelikt, staat hij op en loopt hij in een slakkengang de baan op. Al die tijd sta ik, bol van de adrenaline, me op de baseline te verbijten. Ik kan er niets aan doen, maar ik word langzamerhand schijtziek en hypernerveus van die hoogst irritante vogel. Ik voel me net een hondje, dat op zijn baasje staat te wachten, met dit verschil dat ik niet sta te kwispelen. Diep in mijn binnenste popel ik om hem een stevige oplawaai onder zijn kont te verkopen, maar ik realiseer mij dat zo’n transactie, zeker op een tennisbaan, hartstikke opgepast is.
Na twee rondjes voor paal aan de achterlijn te hebben gestaan, krijg ik schoon genoeg van zijn praktijken en verzin ik een list. Demonstratief op mijn horloge kijkend roep ik na het verstrijken van de reguliere twee minuten pauze ‘time’. Bij het opstaan van de bank voeg ik er luid lachend aan toe, dat we weer flink aan de bak moeten. Duidelijk is, dat hij mijn quasihumor niet kan waarderen, want zonder mij aan te kijken vraagt hij of ik soms haast heb. Niet zo gek toch, dat ik langzamerhand gestoord word van die bankzitter en dat het in mijn bovenkamer almaar rommeliger wordt. Op deze manier is er gein aan en is er ook geen eer aan te behalen. ‘t Liefst wil ik, zonder ook nog maar een game te morsen, zo snel mogelijk onder de douche. Na een paar diepe ademhalingen blaas ik de gigantische hoeveelheid overtollige stoom uit mijn gestreste lichaam en focus ik me voor honderd procent op de wedstrijd. Voor de ogen van een handjevol familieleden, die halverwege de partij alsnog zijn toegestroomd, sla ik hem zonder pardon in no time met mijn gloednieuwe, hypermoderne, oversized Prince-racket van de baan.
Bij het met z’n allen na afloop naleuteren met prik, bier en bitterballen ontpopt Hein zich als een prater die niet van ophouden weet. Zeker, als hij al snel bij zijn kleinzoons van negen en elf belandt. Oftewel, bij Dirk-Jan en Jan-Willem van zijn oudste zoon Jan-Hein, die, by the way voor zaken geweldig veel in het buitenland zit. Die twee Haagse jonge Godjes hebben het volgens opa helemaal in zich. “Die knullen zijn supertalenten die je maar zelden tegenkomt. Gegarandeerd dat ze het ver gaan schoppen in de tennisserij. Niet voor niets zijn ze geselecteerd om drie maal per week bondstraining in Wateringen te volgen”, glimt hij van trots als een keutel in de maneschijn. “Zeker weten, dat die jongens het helemaal gaan maken. Daar durf ik gif op in te nemen. Belangrijk is, dat ze er helemaal voor willen gaan en dat ze van thuis alle steun krijgen. Daar zorgt mijn zoon Jan-Hein wel voor; dat kan ik wel aan hem overlaten. Trouwens ook mijn schoondochter Mathilde staat er voor tweehonderd procent achter. Zij brengt de boys drie keer per week met haar auto naar het Westland. Daar heeft Jan-Hein, in verband met zijn werk in het buitenland, natuurlijk geen tijd voor. Niet onbelangrijk is, dat Mathilde er ook heel veel plezier aan beleeft. Maar het allerbelangrijkste van alles is, dat de knullen het berenleuk vinden”, zet hij alle succesfactoren op een rijtje. “En wat ook …..”. Als hij van zijn opasprookje een droge strot heeft opgelopen en een slok bier neemt, vraag ik hem hoe oud hij eigenlijk is. “Bijna 67”, antwoordt hij met een blik in zijn ogen van ‘dat had je niet gedacht, hè?’ “Dat had ik niet gedacht, Hein”, reageer ik braaf.
opa wim (bijna 67)
april 2011