Partijtje biljart
Natuurlijk moest het er een keer van komen. Biljarten op het nieuwe biljart bij Buytenwegh. Jan stelde voor om na afloop van onze tennistraining op zondagochtend met z’n vieren (Jan, Ruud, Tjomme en ik) gezellig een stootje te doen. Uiteraard had ik dat goed in mijn oren geknoopt en was ik niet vergeten mijn keu in mijn tennistas te proppen.
Nadat we in een moordend (ha, ha) tempo onze wekelijkse oefenstof (forehand cross, backhand cross, drive volley, service, smash, etc.) hebben doorlopen, staan we om klokslag twaalf hijgend en dampend te popelen bij het groene laken. Jan legt uit, dat hij het in de eerste partij opneemt tegen Ruud.
“Zo, zo”, denk ik, “dat is officieel”, als ik Jan wedstrijdformulieren uit zijn tas zie halen en mij vraagt te tellen en Tjomme te schrijven. De partij van Ruud en Jan verloopt zoals zo vaak. Dat wil zeggen, dat de hard stotende Ruud uitermate veel plezier beleeft aan het spelletje en dat Jan het traditiegetrouw moeilijk heeft met het onstuimige spel van zijn ‘Angstgegner’. “Altijd weer hetzelfde liedje. Nooit eens een fatsoenlijke aanvang. Waarom heb ik dat altijd? Zoeken, zoeken en nog eens zoeken”, klaagt Jan aan de lopende band over de moeilijke ballen die Ruud hem voorschotelt. Als ook zijn talloze smeekbedes tot ‘boven’ niet worden verhoord, legt Jan het kansloos af tegen de amicale hardhitter. Hierbij moet voor de goede orde worden aangetekend, dat Jan op grond van zijn veel hogere algemeen gemiddelde, zo’n dertig caramboles meer moet produceren dat zijn tegenstander. Tjomme en ik spelen daarna een leuk potje, waarbij ik gelukkig aan het langste eind trek.
Ondertussen zijn de mannen van het team Paulusma klaar met de wintercompetitie. Moegestreden (ha, ha) nestelen ze zich samen met hun tegenstanders schuin tegenover ons. Kees is aan de beurt voor een ingewikkeld rondje drank. Wijselijk besluit hij de bestelling voor het uitbundige gezelschap te noteren. “Wim’, roept hij naar mij, “geef mij even een papiertje”. Kennelijk gaat hij er vanuit dat ik altijd papiertjes bij me draag. “Hier Kees, hier heb je een papiertje”, en geef hem een wedstrijdformulier dat voor mij op tafel ligt.
Een poos later, als we aanstalten maken om op te stappen, informeert Jan nerveus naar het wedstrijdformulier van zijn partij tegen Ruud. “Hoezo Jan?” vraag ik hem. Geërgerd reageert hij, dat hij het papier nodig heeft voor een ordentelijke administratie van de laddercompetitie. Pas dan dringt het tot mij door, dat de partijen zijn gespeeld in het kader van de laddercompetitie. Ook besef ik, dat ik het officiële document aan Kees heb afgestaan voor zijn dranknotitie. Inderdaad, een tikkeltje onnozel.
“Aan Kees gegeven? Ben je wel goed bij je hoofd? Dat formulier hoort bij mij. Logisch dat ze je vervroegd hebben laten vertrekken op je werk”, foetert Jan buiten zinnen. “Maak je niet druk Jan, ik babbel wel even met Kees”. Maar Kees geeft lau loene; hij heeft het formulier achtergelaten bij Charlotte van achter de bar. Zij haalt op haar beurt haar ranke schouders op en wijst naar de rijkelijk gevulde blauwe afvalbak. “Mag ik even grabbelen?”, vraag ik aan Charlotte. “Ga je gang”, reageert ze met een vies gezicht.
Bij mijn zoektocht tot de bodem van de grabbelton, grijp ik onder meer in kleverige patatresten, mayonaise en ketjap, maar geen wedstrijdformulier. “Het document is onvindbaar Jan. Maar, wat maakt het eigenlijk uit. Je weet toch dat je verloren hebt!”.
Wim Quist