Persoonlijke hulpmiddelen
U bent hier: Home Ingezonden stukken Hup ADO (vervolg)
 
 
 
 
Document Acties

Hup ADO (vervolg)

door Redactie TVBol geplaatst Laatst gewijzigd: 13-12-2011 20:02

Vanaf Amsterdam met het motorschip ‘Oranjestad’ op naar Paramaribo met tussenstops in Southampton, Madeira, Barbados en Trinidad. Het uitzwaaien werd plechtig omlijst door de Koninklijke Militaire Kapel die voor het eerste detachement 1964 TRIS (Troepenmacht In Suriname), waar ik deel van uit maakte, het ‘Wilhelmus’ speelde. Met vijftig man sterk stonden we aan dek. Strak in de houding. Toen het volkslied op ons daalde, voelde ik me een militair op missie waarbij een behouden thuiskomst allerminst gegarandeerd was. Vanuit mijn ooghoeken zag ik dat de kade bezaaid was met ouders. Ook de mijne ontdekte ik tussen de menigte.

ado

Op suggestie van mijn voormalig elftalgenoot en secretaris sectie Betaald Voetbal van ADO, Gerard Slager, stuurde ik hem voor het ‘ADO-krantje’ zo nu en dan sterke verhalen over mijn tropische avonturen. Over mijn ‘levensgevaarlijke’ oefeningen in de jungle te midden van sissende slangen en brulapen (ha, ha). Over bloeddorstige muskieten die het op mij gemunt hadden en over Malaria die overal op de loer lag. Over een weekje bivak in Apoera bij een indianenstam waar we vredig pijpjes hebben gerookt. Over vaarpatrouilles per korjaal over de kilometers brede Marowijne waar we moesten afrekenen met verraderlijke stroomversnellingen. Over het bonte gezelschap van meisjes van plezier dat ons elke maand op betaaldag aan de poort van het Prins Bernhardkampement in Paramaribo liefdevol opwachtte. Kortom, als pseudocorrespondent berichtte ik, over de multiculturele samenleving waar Creolen, Hindoestanen, Javanen, Chinezen, Portugese Joden, Indianen en blanke Nederlanders een wonderlijke smeltkroes vormden.

 

De briefwisseling met de secretaris gedijde met de maand meer met als hoogtepunt zijn brief tegen het einde van mijn diensttijd. Daarin vroeg hij me of ik soms iets voelde om bij ADO te solliciteren. De profclub wilde zich namelijk verder professionaliseren en had behoefte aan een full time administrateur. De administrateur moest wel van vele markten thuis zijn. Een administrateur met uitzicht op de functie van manager. Of ik daar soms trek in had. 

 

Na behouden thuiskomst in maart 1965, buiten enkele schermutselingen bij vermeende wapensmokkel hadden we in de bushbush alleen maar oorlogje gespeeld, voerde ik met nogal wat ADO-bobo’s sollicitatiegesprekken. Van meet af aan voelde ik aan mijn water dat ik op rozen zat. Na een leugentje om bestwil, dat ik uiteraard kon typen (ik had nog nooit van mijn leven een typemachine aangeraakt), zat ik een maand later juichend achter mijn bureau aan de Moerwijkzijde van het stadion. Weliswaar in een houten keet, maar dat deerde mij niet. Ik kon mijn geluk niet op. Bij ADO administrateur zijn met het perspectief om op termijn, manager te worden in het betaalde voetbal. Oftewel, scheppen geld gaan verdienen aan je lievelingssport. Wie kon dat anno 1965 op 21-jarige leeftijd van zichzelf zeggen? Zou ADO uiteindelijk dan toch nog goed uitpakken?

 

Mede dankzij de komst van de Oostenrijkse trainer Ernst Happel ontwikkelde ADO zich tot een geduchte subtopper in het Nederlandse betaalde voetbal. Ook ik voelde me prima op mijn plaats bij de ambitieuze club. Bovendien was het hartstikke stoer om een paar keer per week met meneer Happel aan mijn bureau koffie te drinken en over voetbal te bomen. Hartstikke gezellig vond ook de stoïcijnse trainer dat koffieleuten. Dat zag ik aan zijn gezicht dat op vriendelijk stond in plaats van, zoals doorgaans, op nors. Zo nu en dan trakteerde ik hem op Apfelstrudel van de Wiener Konditorei aan de Korte Poten in Den Haag. Ik merkte dat hij dat zeer waardeerde en, al dan niet als tegenprestatie, mocht ik een keer mee trainen met de grote jongens van het Eerste Elftal. Met Mansveld, Heijnen, Aarts, Thie, De Zoete, Maassen, Van den Burch en Jochems. Op het hoofdveld nog wel met al die imposante tribunes om me heen. Heel eventjes waande ik mij profvoetballer en leek het of mijn droom alsnog was uitgekomen. “Herr Quist”, verstoorde Happel mijn droom toen hij me een poosje met zijn handen op zijn rug had gade geslagen, “ich sehe Sie können ganz toll Fussball spielen. Was ist passiert das Sie nicht spielen?” “Herr Happel, das ist eine Geschichte wo über ich nicht reden möchte”. Ik wilde die zogenaamde ‘administratieve omissie’ van RVC coûte que coûte uit mijn gedachten bannen. “Schon gut, Herr Quist, aber schade bleibt’s”. Ernst Happel was op en tot een gentleman.

 

Naast de financiële administratie, sponsorzaken, voor baas spelen over Harrie de terreinknecht en Jaap de kantinebeheerder, het notuleren en in zesvoud uittypen van de verslagen (liet ik in het begin met veel enthousiasme over aan mijn lief Elly die met gemak met tien vingers ‘blind’ typte) moest ik zo’n vijfentwintig voorverkopers (sigarenwinkeliers die een dubbeltje per verkochte kaart opstreken) ‘afrekenen’. Vervolgens zette ik de restantkaarten uit bij de acht kassiers die bij de ingangen van het stadion in zogenaamde kassahuisjes zaten om de overgebleven kaarten te slijten. Regel was, dat ze twintig minuten na de rust hun hok uit mochten om zich bij mij te melden voor het ‘afrekenen’. Na afloop daarvan, uiteraard als alles klopte, betaalde ik hun de gage van vijf gulden belastingvrij uit. Dat was alles bij elkaar een hoop werk, maar het bracht ook een hoop geld in het laatje van de club. Zeker bij ‘uitverkochte’ huizen.

 

Zoals op een zaterdagavond bij de finale van de Intertoto Competitie en ADO tegen Slovan Bratislava uit het toenmalige Tsjecho-Slowakije moest spelen. Het stadion met bijna 28.000 toeschouwers was volledig uitverkocht. Ik was nog druk bezig met het ‘afrekenen’ van de kassiers toen plotseling van een oorverdovend gejuich opsteeg. ADO had gescoord en leidde met 1-0. Uitzinnige vreugde bij iedereen in mijn kantoortje. Veel tijd had ik niet om mee te feesten; ik had het veel te druk met het tellen van de recette. Zo’n kleine 100.000 gulden had de wedstrijd opgeleverd aan papier geld en aan muntstukken. Aan duizenden centen, stuivers, dubbeltjes, kwartjes, guldens en rijksdaalders. Een bijna niet te tillen weekendtas vol met munten en papier geld.

 

Meneer Kok, de penningmeester van de club, had voorgeschreven dat het geld ‘s nachts absoluut niet in mijn kantoor kon blijven. Te inbraakgevoelig had hij mij ingefluisterd. Vreemd eigenlijk dat hij altijd fluisterde. Het leek wel of er van die fluisterstem iets dwingends uit ging. Misschien ook omdat ik zo’n stem niet verwachtte bij een boom van een kerel als hij. Zeker 1.90 m, schat ik. De donkere bril bezorgde de dikke vijftiger een streng uiterlijk. Iedere keer als ik tegenover die beer van een vent stond, voelde ik me een jongste bediende. “Quist, je moet het geld maar gewoon mee naar huis nemen”, fluisterde hij op een toon alsof dat de gewoonste zaak van de wereld was. Dus reed ik met de loodzware tas voor mij op de tank van mijn Puch rond middernacht naar huis. Naar de Moerweg aan de overkant van het Zuiderpark. Weliswaar nog geen tien minuten brommen, maar toch voelde ik me in het donker niet op mijn gemak met die zwalkende tas met een ton cash tussen mijn benen.

 

Mijn moeder vond het maar niets, al dat geld bij haar in huis. Zij werd daar een beetje angstig en zenuwachtig van, bekende ze. “Stel je niet aan, ma. Je hoeft absoluut niet bang te zijn”, reageerde ik. Om haar onrust weg te nemen verklapte ik, dat ik een honkbalknuppel onder mijn bed had verstopt voor het geval dat. Aan haar panische blik in haar ogen zag ik dat het slaghout averechts had uitgepakt. “Ik ga me even omkleden om te gaan stappen. Ik heb me toch niet voor niets de hele dag de tandjes gewerkt!”, deed ik alsof mijn neus bloedde. “Maak je niet druk, ma. Pa is toch bij je. Dus wat zou er kunnen gebeuren met zo’n grote, sterke man in huis?”

 

Bij het horen van zijn naam veerde mijn vader uit zijn luie stoel en mengde zich in het gesprek. “Vrouw, de jongen heeft gelijk. Er kan helemaal niets gebeuren. Laat hem nu maar”. “Nou, als jullie denken dat het kan, ga dan maar, jongen”, legde mijn moeder zich neer bij de twee tegen een stemming. Haastig trok ik mijn uitgaanskloffie aan om de bloementjes weer eens ouderwets buiten te gaan zetten. Daar had ik na die 1-0 zege van ADO vreselijk veel zin in. “Kijk je goed uit, jongen en maak je het niet te laat, want ….”. “Nee ma”, maakte ik me zo snel mogelijk uit de voeten.

 

Maandagochtend, maakte ik samen met mijn eerste medewerker Piet Bovelander, een kranige 80-plusser, rolletjes van de munten om ze op de voorgeschreven wijze bij de bank te kunnen inleveren. Meer dan een uur waren we bezig met de rolletjes centen, dubbeltjes, stuivers, kwartjes, guldens en rijksdaalders. Toen die klus geklaard was, maakte de oude man zich op voor vertrek naar de bank. Want, dat was zijn werk, was mij verteld. Op de fiets met de weekendtas propvol geld naar de Jan Hendrikstraat; naar het hoofdkantoor van de Nutsspaarbank waar de manager van ADO, Eddy Hartman, parttime werkte. Zeker een kwartier fietsen. Op mijn vraag aan de ouwe baas of hij zich wel safe voelde met al dat geld onder zijn snelbinders, antwoordde hij met een slimme blik in zijn ogen, dat hij iedere keer een andere route naar de bank neemt. “Neen, dit mannetje is niet op zijn achterhoofd gevallen. Maak je maar geen zorgen. Ik doe dit al jaren zonder een centje pijn”.

 

Omdat ik op die gang van zaken niet gerust was, sprak ik de penningmeester (die tevens sigarenwinkelier en veruit de grootste voorverkoper was) aan. “Meneer Kok, da’s toch veel te gevaarlijk wat die ouwe Bovelander doet. Die honderdduizend gulden wegbrengen op zijn fiets. Vindt u ook niet, dat we de volgende keer uit veiligheidsoverwegingen een taxi moeten inschakelen?” “Maar Quist, wat denk je wel niet wat zo’n taxirit naar de stad kost”. “Meneer Kok, ik vind toch dat ….”. “Je hebt me toch gehoord, Quist”, maakt de man van de penning duidelijk dat hij de baas is. “Hup ADO!”, schoot het door mijn hoofd.

 

(Wim Quist)

 

Powered by Plone CMS, het Open Source Content Management Systeem

Deze site voldoet aan de volgende standaarden: