Hup ADO
Lang voordat tennis mijn sport werd, heb ik, net als bijna iedere gezonde Hollandse jongen gevoetbald. Begin vijftiger jaren deden we dat in Den Haag gewoon op straat. In geen velden of wegen waren er in die tijd immers auto’s te duchten. Hooguit een keer per partijtje hoorde je in de verte een Volkswagen kuchend naderen en moesten we ons frediekeetje even staken tot die kever voorbij was gesukkeld. Daarna vervolgden we ons straatvoetbal waarbij hoopjes kleren als doelpalen fungeerden.
In het najaar, als de blaadjes de straat roodbruin hadden gekleurd, kon ik vanaf mijn ouderlijk huis het Zuiderparkstadion zien. Het voetbalparadijs van ADO. Om daar een keer te spelen, dat was mijn droom. Op het hoofdveld welteverstaan met 28.000 toeschouwers op de tribunes. Als achtjarig jochie droomde ik dat ik een hattrick had gescoord en dat iedereen mijn naam scandeerde. Daar werd ik voor het slapen gaan van binnen warm van. Daar kon geen kruik tegenop.
Omdat de vader van mijn vriendje de trainer van RVC was, werd ik omgepraat om bij die club aan de Schaapweg in Rijswijk te gaan voetballen. Eerlijk gezegd, sprak ADO mij meer aan, maar ik wilde niet uit de toon vallen bij mijn voetbalvriendjes Jopie, Rudie en Loekie. Ik wilde niet riskeren dat ik niet meer mee mocht doen met die grote jongens van zeker twee jaar ouder. Mijn vader vond het stom dat ik niet gewoon bij ADO achter die bal ging rennen. “Aad Kant trainer van RVC? Nooit van gehoord. Vooruit dan maar, omdat je vriendjes daar ook spelen”, streek mijn vader, die helemaal niets met sport had, met zijn hand over zijn hart.
Dat moment in 1952 zal ik nooit vergeten. Bij het jawoord van mijn vader sprong ik een gat in de lucht. Met ongelooflijk veel plezier heb ik acht jaar bij RVC gevoetbald. Bij die fantastische vereniging heb ik geleerd wat clubliefde is. Een onvergetelijke tijd met louter hoogtepunten. Zoals een trip naar Duitsland in 1959. In twee aftandse Volkswagenbusjes vertrokken we naar Witten am Ruhr voor een Freundschaftsspiel. Dat we onderweg pech kregen met een van die barrels en we dat kreng een paar keer moesten aanduwen, mocht de pret niet drukken. Met vereende krachten en met de grootste lol lukte het ons om ‘m steeds weer aan de praat te krijgen en bereikten we het Ruhrgebied.
Natuurlijk was er in die tijd van armoe troef, geen geld voor overnachtingen in een hotel. Dus werden we bij gastgezinnen ondergebracht. Voorzitter, Herr Ziegler van de SV Witten ’38 las van een papiertje voor, dat ik ingedeeld was bij de familie Hölzenbein. Bij Heinz en Edith en hun kinderen Bernd en Gertud van rond de vijftien, schat ik. Een Duitse familie Doorsnee dus.
Ik werd als een prins Bernhard onthaald in de tweeondereenkapwoning even buiten het dorp. Frau Hölzenbein sloofde zich vreselijk uit om mij te verwennen. “Bitte Willie, nehm doch ruhig was du möchtest”, moedigde ze me aan om op Duitse bodem een Nederlands record taarteten te vestigen. De godganse dag stonden er namelijk allerlei soorten Widergutmachungstorten hapklaar op tafel. Het is, dat het ongepast was om je in die naoorlogse tijd positief over Duitsers uit te laten, anders ……. Er leek geen einde te komen aan dat paradijselijke leven op aarde bij mijn RVC. Voor eeuwig had ik die club in mijn hart gesloten.
Tot zich een jaar later een incident voordeed en mijn liefdesrelatie met RVC een stevige deuk opliep. Zeg maar gerust, in het slop kwam. Ik was net zestien toen een ADO-scout zijn oog op
mij had laten vallen voor inlijving bij de ´Betaalde Jeugd´. Logisch toch, dat ik die uitverkiezing beschouwde als de eerste stap op weg naar voetbalglorie. Naar eeuwige roem in het Nederlands Elftal. De ultieme droom van iedere jongen. Met haastige spoed en met een kloppend hart had ik mij bij ADO aangemeld. Het leek mij super om in een elftal te spelen met jongens als Aadje Mansveld, Theootje van den Burch en het piepjonge talentje Dikkie Advocaat. Aan de andere kant realiseerde ik mij, dat ik afscheid zou moeten nemen van mijn grote liefde RVC en dat deed bij voorbaat al pijn. Maar iedereen zei dat ik die kans moest grijpen. Dat ik zo’n kans maar een keer in mijn leven zou krijgen.
Hoe anders is alles uitgepakt. Eigenlijk niet te filmen wat er gebeurd is. Door een misverstand, zo liet RVC mij per brief weten, was bij de overschrijving naar ADO de deadline gepasseerd. Met andere woorden, kon ik het komende seizoen niet aansluiten bij de Haagse voetbalelite en was ik gedwongen nog een jaartje bij RVC te blijven. “Eigenlijk”, las ik tot mijn verbijstering, “is, bij afweging, het extra jaartje bij onze club ook beter voor jouw persoonlijke ontwikkeling”. “Bij afweging? Welke afweging dan wel? Niet die van mij! Aan mijn nooit-niet”, spuwde ik furieus vuur toen ik klaar was met de onzinbrief. Buiten zinnen was ik. Ik was er namelijk heilig van overtuigd dat die grafclub RVC de overschrijving had gesaboteerd om mij nog een jaartje vast te houden. Voor straf beëindigde ik met onmiddellijke ingang mijn lidmaatschap. ‘Mijn’ RVC kon de boom in en de pot op. Het was over en uit met mijn grote liefde. Mijn droom was uiteen gespat. Ik had het helemaal gehad met alles en iedereen.
Mijn vader, die nog nooit van zijn leven ook maar een minuut langs de lijn had gestaan, gaf mij voor het eerst van zijn leven groot gelijk. “Wat koop je voor al die ellende”, was zijn commentaar. Hij wilde rust in de tent. Dat telde voor hem; dat was belangrijk in zijn leven. Hij had geen oog voor wat mijn blinde woede zou aanrichten. Niet een keer vaderlijk: “Jongen, gebruik je verstand en doe niet zo wild. Slaap er nog eens een nachtje over”. Het interesseerde hem geen snars. Rust, orde en regelmaat, dat wilde hij in zijn gezin.
Ik voelde me rot tot op mijn botten. Door God en iedereen verlaten. In mijn dooie uppie op mijn kamertje heb ik dikke tranen gelaten. Stilletjes, want niemand mocht dat weten. Dat wilde ik onder geen beding; daar voelde ik me te groot en te sterk voor. Niet voor niets was ik de een na sterkste jongen van de klas en reed ik Puch met een hoog stuur, een buddyseat en een potje. Die super brommer had ik verdiend met mijn krantenwijk in Spoorwijk. Zes dagen per week gooide ik de Haagsche Courant tegen etenstijd in 180 brievenbussen aan de Genestetlaan. Wel zei mijn moeder een keer dat ze me de laatste tijd wat stilletjes vond en vroeg of er soms wat aan de hand was. Natuurlijk reageerde ik, dat er totaal niets aan het handje was. Maar ondertussen zat ik in een hele diepe put waar geen uitkomen leek. “Wat nu? Hoe nu verder? Heeft het leven nog wel zin?” Urenlang lag ik op bed zwart te kijken. Tot mijn ogen dicht vielen.
Het leven ging door, heb ik ervaren. Ook mijn zinloze leventje. Of ik het nu wilde of niet. Na drie jaar wildebrassen ging ik op een zaterdagmiddag een keer naar ADO-2 kijken; naar de
‘betaalde’ reserves van de hoofdmacht. Gewoon uit nieuwsgierig. Toen ik die voor mij totaal onbekende elf gasten op het veld zag knoeien met de bal dacht ik: “Is dat alles? Is dat betaald voetbal? Dat kan ik ook. Ik ga weer voetballen. Het is nog niet te laat”, kreeg ik onweerstaanbaar de voetbalkriebels.
Maar eenmaal in het roodgroen van ADO gestoken viel mijn doorstart na drie jaar op zijn zachtst gezegd, niet mee. Het teleurstellends van mijn rentree was, dat vrijwel geen verdediger nog in mijn schijnbewegingen trapte. Ook begreep ik niet waar mijn ziedende schot was gebleven. De drie onbedaarlijke jaren hadden hun tol geëist; hadden mij gedegradeerd tot een modale voetballer waar niemand op zat te wachten. Na een paar maanden aanmodderen wist ik dat de opgelopen achterstand niet meer weg te werken was. Betaald voetbal kon ik gevoeglijk op mijn buik schrijven. Gek genoeg, was dat ook toen weer een hard gelag; was het weer slikken geblazen.
Wel hervond ik geleidelijk de liefde voor het voetbalspelletje en begon ik bij ADO steeds meer mijn draai te vinden. Tot, deze keer de oproep voor militaire dienstplicht daaraan een einde maakte. Ik had mijn zinnen gezet op uitzending naar Suriname. Het leek me wel spannend om een jaartje in de tropen de bink uit te hangen. Na twee maanden op de Oirschotse hei stevig afgeknepen te zijn door een stel bazige militairen met gifgroene baretten op hun hoofden, werd ik fysiek en mentaal in orde bevonden en kon ik mijn plunjezak pakken voor vertrek naar De West.
(Wim Quist)
(wordt vervolgd)