Persoonlijke hulpmiddelen
U bent hier: Home Ingezonden stukken De harde waarheid ….
 
 
 
 
Document Acties

De harde waarheid ….

door Redactie TVBol geplaatst Laatst gewijzigd: 05-01-2010 23:31

Als voetballer was ik geen topper. Ik had maar weinig techniek en een beperkt taktisch inzicht. Ik wilde wel uitblinken, maar dat zat er niet in. Veel te laat begonnen bovendien: op mijn vijftiende. In een open schuur omkleden en dan eerst met een riek de koeienvlaaien spreiden. Dat niveau. Na afloop met koud water in een teiltje de ergste vuiligheid van je af wassen en daarna samen in het nabije café nog een biertje drinken.

oude mannenOndanks mijn beperkte voetbalkwaliteiten, was ik toch een nuttige speler. Rechtsbenig, maar blij met elke positie waar de ‘ trainer’ me neerzette. Dus meestal linksback, want daar wilde niemand anders staan. Ik was een bijtertje. Je moest mij minstens drie keer passeren om van mij af te wezen. Mijn sterkste punt was, als een duveltje uit een doosje, passes op de rechtsbuiten te onderscheppen. En dan als een speer zelf naar voren om mijn aanvallende ambities te botvieren. Zo snel mogelijk richting cornervlag aan de overkant. De bal met een mooie krul voor het doel neerleggen. Jammer genoeg stond daar dan meestal nog geen teamgenoot. Dus ook als een speer weer terug naar achter. Dat werk. Behoorlijk fanatiek vechten voor de overwinning. Aan inzet geen gebrek. De strijd om de winst maakte het leuk.
Dat sommige medespelers, meestal begiftigd met veel meer talent, er met de pet naar gooiden, begreep ik niet. Dat je de avond tevoren tot diep in de nacht bent gaan stappen,  is toch geen reden om niet tot het gaatje te gaan voor een goed resultaat. Je kunt van niemand verlangen dat hij goed speelt, maar toch zeker wel dat ie zich naar beste vermogen inzet?

Mijn oude elftal viel uiteen; steeds meer oude maten haakten af. Wat moest ik doen? Nog eens opnieuw beginnen in een ander team? Geen aanlokkelijke gedachte. Bovendien had de toenemende verharding van de mores in het veld mijn lol in voetbal danig vergald. Schoppartijen en geruzie om vermeende fouten van (club)arbiters of al dan niet opzettelijke schoppen van tegenstanders, allemaal dingen waar ik eigenlijk geen trek in had. Tijd voor iets nieuws, want de prestatiedrang was onverminderd aanwezig. Maar wat?
 
Mijn vrouw zat sinds een paar jaar op tennis en kwam thuis met enthousiaste verhalen. Jarenlang had ik overal verkondigd dat ‘tannis’ een elitesport was en dus niks voor mij. Maar ja, tennis is wel een individuele sport. Voor mij dus een sport waarin ik mezelf zou kunnen bewijzen. Niet langer last van elftalgenoten zonder inzet. En last but not least: ik zou ook eens af en toe in een mixed samen kunnen sporten met mijn vrouw. Dus werd ik lid van een heuse tennisclub.

Als beginneling kreeg ik het allerlaagste spelniveau toegekend. Dat deed wel even pijn. Mijn vrouw, in onderlinge partijtjes niet echt een onverslaanbare tegenstander, was intussen veel hoger ingedeeld. Lessen nemen vond ik niet nodig; gewoon veel spelen, lekker fanatiek en scherp zijn! Dan zou die hogere ranking vanzelf komen. En inderdaad kon ik al snel tamelijk goed mee met spelers die al jarenlang tennisten. Die zogenaamde cracks kregen steeds meer moeite om van mij te winnen. Niet veel later ging ik ook competitie en toernooien spelen. Aan spelen om des keizers baard heb ik een broertje dood. In die partijen ‘om het echie’ kon ik helemaal gaan voor de winst.  Al snel steeg mijn speelsterkte in de single tot het niet onverdienstelijke C2-niveau. Daarmee behoorde ik tot de 10% beste spelers van mijn leeftijd (40+) bij de club. Tevreden rekende ik mij tot de subtoppers. Zover had ik het in het voetbal nooit geschopt!

Mijn ‘vaste’ tennismaten waren een jaar of acht ouder dan ik zelf en, mogelijk daardoor,  minder fanatiek. Het eerste wat zij deden bij aankomst op het tennispark, was voor later op de avond een dubbelspel regelen. Geroutineerd als zij waren, kostte dat weinig tijd of woorden. In het voorbijgaan volstond een vragend uitgesproken ‘ straks dubbelen, Aad?’. Hooguit een half uurtje single als opwarmer, daarna lekker dubbelen! Hun tennisavond was pas echt geslaagd, als die was afgesloten met een stevige dubbelpartij, meestal tegen steeds dezelfde tegenstanders. Gezelligheid stond voorop. Zelfs een dikke nederlaag veranderde daar niets aan.

Eigenlijk voelde ik mij daar veel te jong voor. Ik wilde niets liever dan één tegen één tot het gaatje strijden om de winst, liefst over vijf sets. Je moest mij minstens drie keer passeren om van mij af te wezen. Van mij had je pas gewonnen als het laatste punt gescoord was. Gezelligheid, en dus dubbelen, vond ik typisch iets voor oude mannen. Met een stevige portie tegenzin legde ik mij meestal neer bij de seniorentraditie dat er altijd gedubbeld moest worden. Het ergste was nog dat ik met dat dubbelspelletje ook niet goed uit de voeten kon. Het zag er in mijn ogen allemaal wat slapjes en traag uit. Maar in de praktijk viel dat slappe en trage spelletje nog vies tegen. Ik kwam er al snel achter dat je daarvoor andere kwaliteiten dan inzet moet bezitten. Ik moest bekennen dat ik die andere kwaliteiten nog niet in mijn tennisbagage had. Dat droeg natuurlijk niet bij aan mijn animo voor het dubbelspel.

De gedachte aan toernooien waarin ik, ter afwisseling van deze wat oubollige dubbelpartijtjes, lekker kon singelen, hield mij op de been. Gelukkig leerde ik allengs toch ook een beetje dubbelen. Jarenlang hebben we in clubtoernooien, in de competitie en vooral op clubavonden toch echt wel sterke potten gedubbeld. En ik begon het zowaar een beetje leuk te vinden.

Ik ben intussen minstens acht jaar ouder dan de ‘oude’ mannen met wie ik in het begin speelde, maar eigenlijk nog steeds bloedfanatiek. Nog steeds wil ik altijd winnen. Je moet mij nog steeds minstens drie keer passeren om van mij af te wezen. De mannen van toen dubbelen nog steeds. Ze worden geleidelijk aan wat trager en ook zwakker. Ik zie ze ballen missen die ze vroeger moeiteloos maakten. Op zulke momenten wil ik nog wel eens uit het oog verliezen dat we geen jonge honden meer zijn. Maar al snel zie ik in dat het een illusie is te denken dat ik – ook al ben ik acht jaar jonger dan de maten – de sloophamer van de tijd de baas zou kunnen blijven. Om altijd en eeuwig scherp te zijn en voluit voor de winst te gaan. De wil is er nog wel en de inzet ook! Maar het kost me steeds meer moeite! Tegelijkertijd zijn anderen, nieuwe jonge honden, vaak gewoon beter. Niet alleen in de single, maar zelfs in de ooit door mij als oudemannensport verguisde dubbels word ik geconfronteerd met de harde waarheid: ondanks inzet naar beste vermogen, kom ik er vaak niet meer aan te pas. Het einde van een tijdperk van fanatiek strijden voor de winst is ingeluid. Dat is slikken geblazen. Ik zal eraan moeten geloven dat, net als voor de ‘oudjes’, ook voor mij voortaan de gezelligheid voorop staat.

Jan Janssen, december 2009

 

Powered by Plone CMS, het Open Source Content Management Systeem

Deze site voldoet aan de volgende standaarden: