Beste clubgenoten,
Tennissers, die al langer lid zijn van deze fantastische vereniging weten, dat ik in het verleden tientallen verhalen heb geschreven voor het clubblad (dat helaas een paar jaar geleden ter ziele is gegaan).
Uiteraard zorgde ik er voor, dat tennis als een rode draad door mijn verhalen liep. Dikwijls stond een bepaalde gebeurtenis centraal en verbond ik het voorval aan tennis. Leuk was, dat ik zo nu en dan een schouderklopje kreeg, in de sfeer van ‘goed gedaan, jochie’. Ook is het meer dan eens voorgekomen, dat lezers zo enthousiast waren, dat ze me aanmoedigden om ze in boekvorm uit te geven.
Voornamelijk uit laksheid is het daar niet van gekomen. Tot ik, ongeveer negen maanden geleden, spontaan tegen een uitgever aanliep. Resultaat van die ontmoeting was, dat ik uitgenodigd werd een drietal verhalen per e-mail ter beoordeling te zenden. Toen de uitgeverij mij per kerende post berichtte zeer belangstellend te zijn, ben ik aan de slag gegaan om de anekdotes ’rijp’ te maken voor de boekdrukkerij.
Toen ik destijds de verhalen voor het clubblad schreef, heb ik ze doelbewust heel compact gehouden. In mijn optiek mochten ze eigenlijk niet langer zijn dan een A4-tje. Nu ik een breder lezerspubliek ga benaderen, heb ik er naar gestreefd, de verhalen naast meer volume, ook meer diepgang te geven. Of ik daarin geslaagd ben, laat ik graag over aan het lezerspubliek. Een ding is zeker, in ieder geval zullen veel clubgenoten zich in de verhalen herkennen. Al was het alleen maar om het simpele feit, dat ik de voornamen van de personages (meestal) in tact heb gelaten.
Ik streef er naar het boekje, dat 37 verhalen zal gaan omvatten met ongeveer 200 bladzijden A5 (handig voor tram en trein), voor Sinterklaas beschikbaar te hebben.
In het voorproefje, dat ik u aanbied, staat ‘passie’ centraal. Wat mij betreft kan het paasfeest beginnen. Hopelijk geldt dat ook voor u na lezing van het passieverhaal. Hoe dan ook, vrolijk Pasen!
Wim Quist
lid sinds 1978
*************************************************************************************************
Passie
Regelmatig herinnert Ruud mij aan een degradatieduel van lang geleden. Ik weet, dat de typische exponent van de Haagse bluf dan zijn typetje ‘de Verlosser’ in stelling brengt. Gespeend van elk gevoel van bescheidenheid, hemelt de ex-Hagenees zichzelf op als de reddende engel. Ere wie ere toekomt, als invaller heeft hij, toen het erop aankwam, heel knap twee broodnodige punten bij elkaar geprikt. Mede door de inbreng van de tennissende uitbater van de tennisclub is mijn team toen degradatie bespaard gebleven.
Uiteraard heb ik hem als captain daarvoor hemelhoog geprezen. Om de bluffer bij wijze van grap te ‘verheerlijken’, heb ik uit een kinderbijbel een afbeelding van de ‘Verlosser’ gekopieerd. Oneerbiedig heb ik het plaatje met knip- en plakwerk opgeleukt en getransformeerd tot ‘Ruud de Verlosser’. Ter illustratie heb ik de spotprent gevoegd bij mijn verhaal ‘De Verlosser’ in het clubblad van de tennisclub. Ruud heeft er ruimschoots de humor van ingezien. Sterker nog, sindsdien is de ‘Verlosser’ voor hem een soort Geuzennaam geworden, waar hij zich maar al graag van bedient.
Zoals gezegd, heeft Ruud zijn heldenrol van weleer altijd binnen handbereik. Telkens als we tegen de competitietijd ouwe koeien uit de sloot halen, leeft hij zich uit in zijn glansrol. "Geef maar een seintje als jullie weer
in de problemen zijn", predikt hij almachtig. Niet alleen amuseer ik me kostelijk met zijn gebluf, maar tegelijkertijd maakt de ‘Verlosser’ ook herinneringen aan de paastijd in mij los.
Ik betrap me erop, dat ik elk jaar meer uitzie naar die periode. Sinds enkele jaren heb ik namelijk weer oor voor de ‘Verlosser’. Uit ‘weer’ kan worden afgeleid, dat ik met de bijbel ben opgevoed. Vanaf mijn vijftiende begon ik mij, tot verdriet van mijn ouders, tegen kerk en geloof af te zetten. ‘Rebels’ heb ik zo’n vijfendertig jaar alles wat met geloof te maken had, links laten liggen. Net als bij zo vele ‘ongelovigen’, ging de combinatie van honger en ellende in de wereld met het existeren van een ‘Almachtige’ er bij mij niet in. Geen speld tussen te krijgen toch?
Het bloed kruipt echter waar het niet gaan kan. Tot mijn verbazing belandde ik in de Grote Kerk in Den Haag voor een uitvoering van Bachs Matthäus Passion. Na ettelijke pogingen was het mijn collega en muziekvriendin Els eindelijk gelukt mij te verleiden. Tot een kerkbezoek wel te verstaan. Nieuwsgierig naar het waarom van haar verafgoding van de muzikale vertolking van de lijdensweg van mijn voormalige ‘Herder’, was ik gezwicht. Wellicht dat Zijn jarenlange aanwezigheid in mijn ouderlijk huis daar mede debet aan is geweest. Meer dan een halve eeuw prijkt namelijk een houten schildje aan de muur in de woonkamer van mijn ouwelui met de tekst ‘De Heer is mijn Herder, mij zal niets ontbreken’. Voor mijn moeder de wegwijzer bij haar levenswandel.
In het drukke en sfeervolle Godshuis zie ik voornamelijk oudere mensen met blijmoedige EO-gezichten. Vrijwel iedereen heeft een bijbel, tekstboek of bladmuziek bij zich. Ook ik heb mij voorzien van een gebruiksaanwijzing om het monumentale muziekstuk op de voet te kunnen volgen. Net als mijn bejaarde buurman en zijn vrouw links van mij, leg ik het boekje op de leesplank van de kerkbank. Juist als ik me heb geïnstalleerd op de houten bank met klantonvriendelijke rugleuning, moet ik het echtpaar bekennen, dat dit mijn eerste Matthäus is. Meewarig schudden de prototypen van ouderlingen hun hoofden. “Wij hebben er al ik weet niet hoeveel opzitten”, vertrouwt de vrouw mij met een veelzeggende blik toe.
Openhartig deelt ze herinneringen uit haar Matthäusloopbaan met mij. Als een naaste betrekt ze me bij haar passie voor Johann Sebastian Bach’s meest geprezen werk. De vrouw, met bril-'80 op haar neus, voelt zich duidelijk geroepen om mij in te wijden in het drie uur durende muzikale werk. Volgens het welbespraakte oudje is de aria ‘Erbarme dich’ na de pauze, het allermooiste wat er op muzikaal gebied bestaat. “Dus nog even geduld hebben”, gonst het door mijn hoofd. In haar euforie voor deze aria voor altstem raadt ze me dringend aan, ook op de smartelijke viool te letten. Haar man sluit zich weliswaar bij haar muzikale fruitmandkeuze aan, maar vindt eigenlijk het ‘Nun ist der Herr zur Ruh' gebracht’ van een zo mogelijk nog grotere puurheid. Ontroerd legt de vrouw zich neer bij het oordeel van de heer des huizes.
Even later schuift ze iets dichter naar me toe en fluistert dat het majestueuze slotkoor “Wir setzen uns mit Tränen nieder” haar ontzettend raakt. “Ik kan er niets aan doen”, verontschuldigt ze zich met teneergeslagen ogen. “Iedere keer brengt deze apotheose een golf van emotie bij mij teweeg". Ook haar man steekt zijn verafgoding van de ‘engel uit de hemel’, zoals Bach ook wel wordt genoemd, niet onder zijn bank. De purist oordeelt dat elk fragment van de Matthäus van ongeëvenaarde schoonheid is. De buurman rechts van mij, die kennelijk heeft meegeluisterd, mengt zich in de quiz over wat het mooiste fragment in de Matthäus Passion is. “Ik”, bekent de vrome man op leeftijd met waterige ogen, “schiet al direct vol bij het openingskoor ‘Kommt, ihr Töchter, helft mir klagen’. Zo gedragen, zo eerlijk, zo puur”. Vanuit mijn ooghoeken zie ik, dat de man in snikken uitbarst. Ter voorkoming van meer huilpartijen links en rechts, neem ik wat afstand en doe ik er geschrokken het zwijgen toe. Tot mijn opluchting volgen mijn buren mijn voorbeeld en wachten we geduldig op het klaarblijkelijk, emotionele openingskoor.
Sinds die eerste, onvergetelijke uitvoering, ben ik gefascineerd van de werken van Bach. In het bijzonder van de Matthäus Passion. Overal waar muziek van het onvergankelijke Duitse genie ten gehore wordt gebracht, zou ik er bij willen zijn; ervan willen genieten. Met kippenvel heb ik inmiddels vele malen het meesterwerk live beleefd in kerken en concertzalen. Iedere keer weer snijdt de ontroerende klaag- en troostmuziek dwars door mijn ziel. Soms brengt de meeslepende muziek mij in een soort flow, alsof ik zalig zwevend op wiegende wolken naar hogere sferen word gedirigeerd.
Onverzadigbaar is mijn aandrang om belangrijke cd- en dvd-uitvoeringen van de Matthäus te bemachtigen. Mijn jarenlange zoektocht heeft vele prachtige versies opgeleverd. Net als mijn ex-muziekvriendin Els - mijn vrouw zag mijn relatie met de knappe blondine bij nader inzien niet zo zitten - ben ik besmet met het Bach-virus. Gepassioneerd heb ik mij verdiept in de mens Johann Sebastian, die in 1685 in het Duitse Eisenach zijn ogen opende. In de literatuur over de cantor van de Thomaskirche in Leipzig heb ik gelezen, dat hij heel triest op AOW-leeftijd in 1750 zijn ogen heeft gesloten als gevolg van een mislukte oogoperatie.
Idioot of niet, ik moet elke dag even Bachluisteren. Thuis of in de auto, wandelend of op mijn fiets, luister ik via mijn MP3-speler in hoger sferen naar de geniale composities van de meester. Ik ben het overigens volledig eens met de oude vrouw met de Dame Edna-bril op haar neus, die destijds naast mij in de kerk zat. ‘Erbarme dich’ vind ik, net als zij, het allermooiste stuk muziek dat bestaat. Ook mij ontroert de aangrijpende aria van erbarming, die volgt op Petrus’ drievoudige verloochening, tot op het bot. Als een soort zielenknijper graaft de componist met zijn muziek diep in mijn binnenste.
Of ik wil of niet, maar soms brengt hij me terug bij de bijbellezingen uit mijn jeugd. Als kleine jongen hoorde ik gehoorzaam het monotone stemgeluid van mijn vader aan, als hij zijn dagelijkse portie ‘geloof’ na de warme maaltijd over ons gezinnetje uitstortte. Als een soort toetje. Alleen heb ik van dit nagerecht nooit gesmuld, om de doodeenvoudige reden, dat ik geen bal snapte van die oudtestamentische taal van voor de oorlog. Die woorden waren niet aan mij besteed.
Trouwens de hele bijbelles was niet aan mij besteed. Pikant detail hierbij is, dat mijn pedagogisch ingestelde vader zijn schriftlezing altijd een keer abrupt onderbrak om te controleren of mijn broertje Rein en ik wel bij de les waren. “Laatste zin Wim”, gaf de ‘schoolmeester’, in dit geval mij, de opdracht zijn laatst uitgesproken zin te herhalen. Als de opdracht niet vlekkeloos werd uitgevoerd, volgde ‘voor straf vroeg naar bed’. De verzachtende omstandigheden, die mijn moeder bijeen fantaseerde, als ik weer eens in een week tijd voor de vierde keer met de kippen op stok werd gestuurd, vonden bij mijn vader geen genade. Het laat zich eenvoudig raden, dat het mij in mijn jongste jeugd niet aan nachtrust heeft ontbroken.
Als ik weer bij zinnen kom, schud ik dat naargeestige ’hiervoormaals’ van mij af en verheug ik mij op de naderende tenniscompetitie. Dit jaar zijn we om de een of andere reden in een hogere klasse ingedeeld. Dat wordt dus bikkelen. Gelukkig weet ik de ‘Verlosser’ achter de hand te hebben!